Van limoenade tot frisdrank

Frisdranken bestaan al honderden jaren. De verkoop van limoensap, suiker en water begon in het 17e-eeuwse Italië. Deze ‘limoenade’ werd verkocht in ijssalons, waar ze goed wisten hoe je limoenade moest koelen.

Fabriek
De Engelse scheikundige Joseph Priestley ontdekte in 1767 hoe je koolzuurgas aan water kon toevoegen. De toepassing van deze uitvinding op limoenade betekende de start van de frisdrankenindustrie. De Zweed Gahn opende in 1776 de eerste frisdrankenfabriek. Zijn ‘Nya Mineralvatten Fabrik’ produceerde drie flesjes per uur.

Luxe drank
Frisdrank was lange tijd een luxe drank die rijke mensen in de zomermaanden dronken. Amerikaanse en Canadese soldaten maakten frisdrank populair toen ze hun ‘soft drinks’ in de laatste oorlogsjaren mee naar Europa brachten. In 1956 introduceerde de Nederlandse frisdrankenindustrie officieel de term ‘frisdrank'.

Stijgende consumptie
In de jaren zestig groeiden frisdranken uit tot populaire dorstlessers. Sinds die tijd stijgt de consumptie nog altijd. De Nederlander dronk in 1960 gemiddeld 13 liter frisdrank. Tien jaar later was dit al 55,5 liter. Op dit moment is de frisdrankconsumptie toegenomen tot 98,5 liter per persoon per jaar.